Nog een lange weg te gaan

wo 25 feb 2026 - 10:56

Begin dit jaar kwamen meer dan 145 landen overeen om een OESO - overeenkomst inzake minimumbelasting voor bedrijven uit 2021 aan te passen.

(Artikel door Pieter Cleppe, ondervoorzitter van Libera! en hoofdredacteur van BrusselsReport.eu.)

Dit om deze in overeenstemming te brengen met het wettelijke kader in de Verenigde Staten, nu president Donald Trump heeft besloten langer mee te doen hiermee. Trump dreigde daarbij ook met vergeldingsmaatregelen tegen landen die op grond van de overeenkomst van 2021 heffingen zouden opleggen aan Amerikaanse bedrijven.

Toen Trump begin 2025 aantrad, verklaarde hij dat de wereldwijde minimumbelasting “geen kracht of effect” zou hebben voor de VS. Desondanks blijkt uit de laatste gegevens dat meer dan 65 landen al zijn begonnen met de uitvoering van de wereldwijde belastingovereenkomst, die landen verplicht een vennootschapsbelasting van 15 % toe te passen of een aanvullende heffing op te leggen aan multinationals die winst boeken in rechtsgebieden met lagere belastingtarieven. Verleden jaar gaven de regeringen van de EU hun goedkeuring om het wereldwijde minimumregime van 15% voor de vennootschapsbelasting in de EU in te voeren, ondanks het feit dat dit een concurrentienadeel betekent voor Europese bedrijven nu de Verenigde Staten niet langer deelnemen. Dit is verontrustend, omdat het de belastingconcurrentie binnen de EU vermindert, met als gevolg dat er minder druk op regeringen is om toch wat begrotingsdiscipline te aan de dag te leggen.

Nog problematischer is het feit dat dergelijk beleid op EU-niveau is vastgelegd, wat betekent dat de EU-lidstaten niet in staat zijn om het voorbeeld van Trump te volgen. Dit komt omdat de wereldwijde minimumbelastingovereenkomst in de EU is geïmplementeerd via een EU-richtlijn, nummer 2022/2523.

EU-regelgeving op het gebied van belastingen

Ook al valt de vennootschapsbelasting nog steeds grotendeels onder de bevoegdheid van de lidstaten, er is veel EU-regelgeving die invloed heeft op belastingbeleid. De richtlijn ter bestrijding van belastingontwijking (ATAD, 2016/1164/EU) uit 2016 bevat allerlei obscure bepalingen die vatbaar zijn voor willekeurige interpretatie, zoals bijvoorbeeld een “algemene antimisbruikbepaling” en zelfs een “exitheffing”. In een evaluatie hierover klaagde de Europese bedrijfsfederatie BusinessEurope in 2024 dat de richtlijn “duidelijke interpretatierichtlijnen mist, wat leidt tot rechtsonzekerheid voor belastingbetalers en het risico op inconsistente toepassing tussen de lidstaten vergroot”.

Sinds lang streeft de Europese Commissie heeft meer controle over de vennootschapsbelasting na. Wetsvoorstellen hieromtrent worden doorgaans aangeduid met acroniemen, bijvoorbeeld de Sovjetachtig klinkende “gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB)”, die in 2011 werd gelanceerd, of het plan “Business in Europe: Framework for Income Taxation (BEFIT)” uit 2021, dat één EU-regelboek voor vennootschapsbelasting met herverdeling van winsten tussen de lidstaten tot doelstelling heeft. Harmonisering kan hier en daar wel nuttig zijn, maar de optimale aanpak is dat de lidstaten eenvoudigweg wederzijdse erkenning van elkaars normen en standaarden toepassen.

Minimum- en maximumtarieven 

Het vaststellen van minimum- en maximumtarieven voor accijnzen en BTW is een bevoegdheid die de EU sinds lang heeft verworven. Op dit moment is er een verhit debat tussen de EU-lidstaten over de herziening van de tabaksaccijnsrichtlijn (TED), die het regelgevingskader voor de belasting op tabak en nicotine in de EU regelt. In januari heeft het Cypriotische voorzitterschap van de Raad van de EU een nieuw compromisvoorstel opgesteld om het minimumtarief voor accijnzen te verhogen en het toepassingsgebied van de EU-brede minimumaccijnzen voor het eerst uit te breiden tot nieuwere nicotineproducten zoals elektronische sigaretten, verwarmde tabaksproducten en nicotinezakjes.

Dit voorstel is een duidelijke verbetering ten opzichte van het voorstel van de Europese Commissie, omdat het de verhoging op sommige gebieden enigszins afzwakt en een overgangsperiode toestaat.

Het drastisch duurder maken van tabaks- en nicotineproducten zou echter evident de koopkracht van de consument schaden, met name in de armere EU-lidstaten, dus het is niet verwonderlijk dat het verzet vooral uit die landen komt. Tegelijkertijd zou dit de illegale tabakshandel aanwakkeren. De ervaring van Frankrijk, dat een van de hoogste accijnzen op tabak in de EU heeft, is veelzeggend. Enkele jaren geleden besloot het land deze belastingen aanzienlijk te verhogen in een poging het aantal rokers terug te dringen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Frankrijk ook de grootste illegale tabaksmarkt in de EU heeft. In een rapport van KPMG uit 2024 wordt benadrukt dat ongeveer 43 % van alle sigaretten die in Frankrijk worden geconsumeerd, niet belast zijn. België had soortgelijke ervaringen, met dalende inkomsten nadat de regering de belastingen had verhoogd.

Ook problematisch is de aanpak van de Europese Commissie om minder of niet-schadelijke alternatieven voor sigaretten op dezelfde manier te behandelen. Volgens het Brits Ministerie van Volksgezondheid zijn e-sigaretten immers “volgens de beste schattingen 95% minder schadelijk voor de gezondheid dan normale sigaretten”. De voorgestelde herziening van de EU-regelgeving gaat volledig voorbij aan de Zweedse aanpak, waarbij niet-schadelijke of minder schadelijke tabaksproducten, zoals snus, beschikbaar zijn en gereguleerd worden, wat heeft geleid tot een aanzienlijke daling van het aantal rokers en bijgevolg tot een aanzienlijke daling van het aantal aan roken gerelateerde ziekten.

Verschillende EU-lidstaten hebben naar verluidt de meer realistische aanpak van Cyprus toegejuicht, met het argument dat een te abrupte verhoging het risico met zich meebrengt dat de illegale handel wordt aangewakkerd, de belastinginkomsten worden uitgehold en dit ook de nationale handhavingsinstanties overweldigt. Deze regeringen beschouwen een meer geleidelijk en flexibel kader als essentieel om de controle over de legale markten te behouden en tegelijkertijd onbedoelde effecten op de nationale begrotingen te vermijden.

Gericht op de digitale sector

Een recenter populair doelwit voor EU-belastingheffing is de digitale sector. Vorig jaar lanceerde EU-Commissievoorzitter Ursula von der Leyen het idee om digitale advertentie-inkomsten te belasten – een zogenaamde ‘Amazon-belasting’ – als mogelijke tegenmaatregel tegen Amerikaanse tarieven, maar uiteindelijk heeft de EU dat niet doorgezet. Via haar antitrustbeleid heeft de EU echter veel geld geïnd van Amerikaanse ‘big tech’-bedrijven, en in ieder geval voor de Verenigde Staten kan dit zo niet doorgaan. Op zijn sociale media heeft de Amerikaanse president Donald Trump een grafiek gedeeld waaruit blijkt dat de Europese Unie (EU) in 2024 meer inkomsten heeft gegenereerd uit boetes opgelegd aan Amerikaanse technologiebedrijven dan uit de belastingheffing op alle Europese publieke technologiebedrijven samen.

Hoewel deze vergelijking betwistbaar is, moeten de argumenten van EU-functionarissen om op basis van de EU-mededingingsregels enorme boetes op te leggen op zijn zachtst gezegd als ondoorzichtig worden bestempeld. Ook de nieuwe “Digital Services Act” (DSA) van de EU, die werd gebruikt om Twitter/X een boete van 120 miljoen euro op te leggen, gaat gepaard met willekeurige interpretaties. Hier werd het bedrijf van Elon Musk beboet omdat het iedereen toestond om een blauw vinkje op zijn profiel te krijgen als hij daarvoor betaalde. Op deze manier, zo betoogden EU-bureaucraten, zou het platform “gebruikers misleiden” omdat Twitter niet “op zinvolle wijze zou verifiëren” wie er achter het account zit, ook al is het voor elke gebruiker evident dat men het vinkje gewoon kon krijgen als men ervoor betaalt.

In ieder geval worden dit soort kosten, net als belastingen op digitale diensten, meestal doorgerekend aan consumenten via hogere prijzen.

Klimaatbelasting

Het meest schadelijke belastingstelsel van de EU is wellicht het emissiehandelssysteem (ETS), een de facto EU-klimaatbelasting. Dit is een cap-and-trade-systeem waarbij degenen die koolstofemissies uitstoten, gedwongen worden te betalen voor hun emissies, maar het recht om uit te stoten kunnen verkopen. Het idee achter het systeem is dat het de kosten voor het uitstoten optimaliseert, maar in de praktijk is het in feite nog maar eens een belasting die de steeds minder concurrentiële Europese industrie bezwaart. De Verenigde Staten kennen een dergelijke belasting niet, maar zijn er toch in geslaagd om de CO2-uitstoot sinds 2005 procentueel sterker te verminderen dan de EU, wat suggereert dat het zelfs vanuit het oogpunt van het klimaatbeleid weinig zin heeft. Om de schade nog erger te maken, wil de EU de ETS-regeling vanaf 2027 uit te breiden naar gebouwen en wegvervoer, wat consumenten hard dreigt te treffen.

Op dit moment jaagt EU ETS de Europese industrie uit de EU. De kost ervan is ongeveer twee keer zo hoog als de totale aardgasprijs in de VS, die slechts ongeveer een vijfde van de aardgasprijs in de EU bedraagt. Volgens schattingen bedraagt de kostenstijging als gevolg van ETS voor de Europese industrie 49,53 procent voor aardgas en 59,95 procent voor elektriciteit. Tegen 2030 zal de Europese CO2-prijs naar verwachting bijna verdubbelen.

Om die reden maakt het Europese bedrijfsleven nu voorzichtig bezwaar tegen ETS. Tijdens een recente top in Antwerpen over het concurrentievermogen van de EU weigerde Ursula von der Leyen, echter het systeem af te wijzen. Als antwoord op de kritiek stelde zij voor dat bedrijven integendeel maar rechtstreeks druk moeten uitoefenen op EU-regeringen, waarbij zij verklaarde dat die momenteel “minder dan 5 % van de ETS-inkomsten investeren in industriële decarbonisatie”. Kortom, Von der Leyen wil dat de door de industrie betaalde belastingen via het bureaucratische systeem worden gerecycled als subsidies.

Na haar toespraak veroordeelde de Belgische premier Bart De Wever het standpunt van de Europese Commissie hierover scherp. Hij verklaarde: “Met geld teruggeven zijn je producten nog niet concurrentieel. De redenering klinkt misschien goed, maar slaat nergens op. Die mensen zijn nog nooit in een petrochemisch bedrijf geweest.”

Bijna een jaar geleden, in maart 2025, riepen de EU-lidstaten op tot “een grondige analyse van het EU-wetgevingskader” op het gebied van belastingheffing, en drongen zij aan op “een herziening van de volledige EU-belastingwetgeving”, dit om de Europese vereenvoudigingsagenda te dienen.

Er is duidelijk nog een lange weg te gaan.